Harde Steensoorten
Stollingsgesteenten · Diamant- of widia-gereedschapGraniet vormt zich wanneer magma diep in de aardkorst langzaam afkoelt. Die langzame afkoeling geeft de mineralen tijd om grote kristallen te vormen — vandaar de kenmerkende grofkorrelige structuur. De naam komt van het Latijnse granus (korrel). Het bestaat hoofdzakelijk uit kwarts, veldspaat en mica.
De naam widia is afkomstig van het Duitse wie Diamant. Bij het bewerken van graniet wordt diamantgereedschap (widia) gebruikt. De steen is constant grofkorrelig en goed te polijsten tot hoogglans.
Ondanks de naam is hardsteen feitelijk een kalksteen opgebouwd uit miljoenen crinoïden — versteende zeelelies. De blauwgrijze kleur komt van fijn verspreid koolstof. Bewerken gaat met widia-gereedschap. Polijsten levert een diepzwarte, bijna lakachtige glans op.
Men kent ook nog Ierse hardsteen, die van dezelfde oorsprong is als de Belgische maar een wat homogenere structuur heeft.
Dolomiet lijkt op calciet maar lost nauwelijks op in zoutzuur — het onderscheidende kenmerk bij determinatie. Hoe het precies ontstaat is nog altijd niet volledig verklaard; vermoedelijk door omzetting van kalksteen in ondiepe tropische zeeën. Wordt ook als grondstof voor cement gebruikt.
Basalt vormt zich aan het aardoppervlak wanneer lava snel afkoelt — het uitvloeiingsequivalent van gabbro. De snelle afkoeling geeft een fijnkorrelige, dichte structuur. De poriën in de steen zijn karakteristiek en geven een matte metaalglans na polijsten — geen hoogglans maar uniek van karakter.
De meeste basalt in Nederland komt uit de Duitse Eifel. Het is uitermate duurzaam en iets zwaarder te bewerken dan hardsteen.
Diabaas is donkergroen tot bijna zwart van kleur en heeft één groot voordeel ten opzichte van hardsteen: de polijstglans blijft behouden buiten. Wind, regen en vorst tasten de oppervlakteafwerking niet aan. Makkelijker te polijsten dan te bewerken — de hardheid zit in de weerstand bij de beitel.
Vergeleken met hardsteen is diabaas iets zwaarder te bewerken, maar verder zijn alle bewerkingen toe te passen.
Het harde, donkere gesteente dat in het oude Mesopotamië in trek was voor koninklijke beelden en reliëfs — de beroemde stèle van Hammurabi (ca. 1750 v.Chr.) is in dioriet gehouwen. De donkere kleur en het fijne kristalpatroon geven het een statige uitstraling.
Hoewel commercieel verkocht als “zwart graniet” is gabbro mineralogisch gezien geen graniet — het bevat nauwelijks kwarts. Zwart-grijzig van kleur maar krijgt na bewerking opvallende witte en groene tinten. In gabbro worden vaak metaalertsen gevonden.
Gneis ontstaat wanneer graniet of zandsteen onder extreme druk en hitte diep in de aardkorst metamorfoseert. De typerende gelaagde of golvende banding vertelt het verhaal van die metamorfose. Geen twee stukken gneis zijn identiek — de waaieringen van kleuren maken elk beeld uniek.
Gneis kan een vrij constant gespikkeld uiterlijk hebben dat lijkt op graniet, maar er zijn ook gneis-soorten met een onregelmatige waaiering van kleuren.
Technisch gezien geen steen maar vulkanisch glas — lava die zo snel afkoelde dat er geen kristalstructuur kon vormen. De metaalglans is onmiskenbaar. Vanwege de broosheid (glasachtige breuk) niet ideaal voor complexe vormen, maar de esthetische waarde is uniek. In de prehistorie gebruikt voor messen en pijlpunten.
Porfier heeft een unieke textuur: grote veldspaatkristallen in een fijnkorrelige grondmassa. Roodachtig of paars van kleur. Moeilijk bewerkbaar. In de Romeinse Oudheid was “porfido rosso antico” uit Egypte voorbehouden aan keizers — vandaar het woord “porfier” (purper, macht).
Syeniet lijkt op graniet maar bevat weinig tot geen kwarts. Dat maakt het net iets bewerkbaarder dan graniet. De textuur is grofkorrelig en het materiaal biedt een prachtige achtergrond voor gedetailleerd beeldhouwwerk.
Een Duits-Noors kalksediment opgebouwd uit schelpresten, vaak duidelijk gelaagd. De bekendste variant, Krensheimer Muschelkalksteen, heeft een bruinachtig grijze ondergrond met kleurtransities per laag en duidelijk zichtbare fossielen. Open poriënstructuur maar goed polijstbaar.
Middelharde Steensoorten
Kalksteen & metamorf · MarmergereedschapKalksteen is het basismateriaal van de westerse beeldhouwtraditie. Het bestaat voornamelijk uit calciumcarbonaat, vaak rijk aan fossielen. De White Cliffs of Dover, de grotten van de Ardennen en de Limburgse mergelgroeves zijn allemaal kalksteen. Niet polijstbaar tot hoogglans maar uitstekend voor expressief hakwerk.
De steen varieert van wit tot grijs, soms okerkleurig (Turks) tot bruin en roodachtig, maar ook zwarte varianten bestaan (Calatorao, Spanje).
Een crèmekleurige kalksteen uit de Meuse-regio in Frankrijk. Poreus maar opmerkelijk vorstbestendig. Op het breukvlak onthult het een fijne schittering van calcietkristalletjes — een esthetische beloning voor elk hakje. Geliefd bij restaurateurs vanwege zijn bewerkbaarheid en duurzaamheid.
Vergelijkbaar met Euville maar iets zachter en warmer van kleur. Kan grote fossielen bevatten — soms een verrassing halverwege een beeld. Absoluut vorstbestendig, populair voor tuinsculpturen en restauratiewerk.
In Nederland vaak Vaurion genoemd. Een vastere crèmekleurige kalksteen, populair bij restauratieprojecten als vervanging voor zachtere zandsteen. Homogeen van structuur en goed bewerkbaar. Veel gebruikt in de restauratie van historische gebouwen in heel Europa.
Kalksteen dat door hitte en druk is omgezet in kristallijn calciumcarbonaat. De hoge druk vernietigt alle fossielen — zuiver marmer is dan ook fossielvrij. Het Griekse marmaros betekent “glanzende steen”. Michelangelo werkte bijna exclusief in Carrara-marmer. Vandaag het meest gebruikte materiaal voor fijn beeldhouwwerk.
Naast wit ook verkrijgbaar in grijs, antraciet, rood, groen (Italië), ivoorkleurig (Griekenland), roze (Portugal) en zwart (België). De bewerking vindt plaats met puntbeitel, tandbeitel, raspen, vijlen, schuren, polijsten; eindafwerking met bijenwas of groene zeep.
Compact, glasachtig en gelaagd in kleuren van ivoor en honinggeel tot roze en lichtgroen. Vanwege de gelaagde structuur niet aan te raden voor beginners — de steen splijt eerder langs de lagen dan waar de beitel hakt. Op licht doorschijnend: een verlichte onyxplaat geeft een schilderachtig effect.
Een harde serpentijnsoort gewonnen in ondiepe steengroeves in Zimbabwe. De naam zegt het: bij het hakken springen stukken steen weg. Hoe zwarter, hoe harder. De zwarte, soms blauwgroene kleur geeft beelden een bijzondere diepte. Populair in de Shona-sculptuurtraditie van Zimbabwe.
Gevormd door kalkafzetting uit warme bronnen. Bladeren, takjes en organisch materiaal dat in het water valt, verteren en laten de kenmerkende onregelmatige holen achter. Het Colosseum, de Fontana di Trevi en de St. Pieterskerk zijn deels in travertijn gebouwd. De poriënstructuur geeft een warm, organisch karakter.
Zachte Steensoorten
Speksteen, albast & zandsteen · Raspen en schurenAl in de oudheid bewerkt in het Midden-Oosten voor parfumflesjes en Egyptische canopische vazen. Gipsalbast is compacter en doorschijnender dan kalkalbast. De verontreiniging van kleiresten en aardresten is karakteristiek — het geeft elke steen zijn eigen karakter.
Vernoemd naar het Latijn voor “slang” — de gespikkelde groene kleur en slangenachtige patronen zijn kenmerkend. Een magnesium-ijzersilicaat. Loopt van zacht (vermengd met speksteen) tot hard (springstone). De groene mantelgesteente-variant serpentiniet is de klassieke groene sierpsteen.
De zachtste beeldhouwsteen — kan met een nagel worden bekrast. De vettige, zeepachtige aanraking is karakteristiek. Ideaal voor beginners en fijne details. Vanwege de thermische isolatie ook gebruikt als kachelomhulsel. De hardheid varieert per regio van herkomst.
Een van de hardste en zeldzaamste sculptuurstenen ter wereld — bijna uitsluitend gevonden in Zimbabwe. De intense groene glans is het gevolg van chroomhoudende mineralen. “Golden verdiet” (zonder chroom) is zeldzamer en diep goudbruin. Vrijwel onbewerkbaar zonder persluchtgereedschap.
Historisch veelgebruikt bouwmateriaal in Nederland en België. In 1951 verbood Nederland het bewerken van zandsteen vanwege het vrijkomende kwartsstof dat silicose veroorzaakt. Sindsdien wordt het bij restauraties vervangen door Massangis/Vaurion of basaltlava. Grofkorrelig en niet polijstbaar.
In Nederland komt zandsteen aan de oppervlakte in het oosten van Twente, bij Winterswijk en in Limburg. De Slochterense zandsteen is een eolische zandsteen die de basis vormt van grote gasvelden in de Noordzee.